Marcelita,
Lang geleden had ik een medewerker die in zijn jeugd tegen het wielrennen was aangelopen en daaraan sindsdien zijn hart had verpand. Zodanig dat hij zelfs lid van een wielervereniging was geworden. Alle vrij tijd waarover hij beschikte werd gestoken in trainingsuren. En dat betaalde zich uit, want in menig amateurkoers eindigde hij als winnaar. Maar na het afronden van zijn studie kreeg het leven vat op hem. Ik bedoel baan, huwelijk en kinderen. En aangezien zijn echtgenote er kennelijk geen prijs op stelde haar man iedere avond, ieder weekend en een groot deel van de vakantie uit te zwaaien voor weer een trainingsrit, ging het met die trainingsinzet dan ook snel bergafwaarts. Dus na korte tijd fietste een deel van de wielervereniging sneller dan hij. Als antwoord hierop werd een 'betere' racefiets aangeschaft. En vervolgens dichte wielen. Tenslotte werd er ook nog een carbon frame gemonteerd, plus een elektronisch schakelsysteem voor de dérailleur. Ik heb geen idee wat het allemaal heeft gekost, maar het schijnt onbehaaglijk veel te zijn geweest. En uiteindelijk werd hij nog door iedere twintigjarige spierbundel met twee vingers in de neus voorbij gereden.
Voor het geval dat je je afvraagt wat de relatie is met de studie van een muziekinstrument, is het antwoord simpel: trainingsarbeid. Plus, uiteraard, talent. En dat het hanteren van wat ik als secundaire zaken benoem, ook een rol kan spelen, wil ik beslist niet tegenspreken. Maar die 10.000 uur norm blijft bestaan. Overigens is het vraag of dat het ambitieniveau is waarop jij cello wilt spelen. En als ik het voorafgaande nog eens doorlees, is het toch wel weer van mijn kant een erg mopper-mopper verhaal geworden. Ik zou me er dan ook geen snars van aantrekken, als ik jou was

Overigens hoop ik wel dat jouw leven meer vertroosting biedt dan op basis van bijzondere snaren, kammen, staartstukken, sourdines en varianten van beharing mogelijk is. Maar ook dat gaat mij, strikt gesproken, volstrekt niet aan
Misschien is in dit verband de volgende Joodse waarheid wel zo toepasselijk.
Lang geleden in een sthetl ergens in Oost-Europa worstelden twee gelovigen met de precieze uitleg van een passage in de Talmoed. Men besluit dit probleem aan de rebbe voor te leggen. De eerste man krijgt het woord en zet zijn zienswijze uiteen. 'Je hebt gelijk', zegt de rebbe. Vervolgens krijgt de tweede spreker het woord. 'En jij hebt ook gelijk', is de reactie van de rebbe. De rebbetzin (vrouw van de rebbe) heeft gesprek al die tijd gevolgd, staande in de deuropening achter de stoel van de rebbe. 'Maar het kan toch niet zo zijn dat zij allebei gelijk hebben', snerpt zij haar man toe. 'En jij hebt ook gelijk' krijgt zij van haar man ten antwoord.