Beste Remi,
Nu ik je zo zie schrijven dat een ‘plankje’ van 35 mm toch wel behoorlijk dik is, heb ik mijn stuk esdoorn waar de vorm voor de alt uitkwam eens even opgezocht. Is niet moeilijk terug te vinden want ik bewaar die stukken altijd! En met een beetje natte vingerwerk, kom ik nu tot een dikte van 27 mm. Dat is dus wel een beetje minder dan ik eerst zei. Maar goed, er moet evengoed nog behoorlijk wat worden weg gestoken om tot ongeveer 17 mm te komen als hoogste welving van een achterblad van een altviool.
Ik heb vol bewondering je excellente plaatjes bestudeerd: zeer fraaie bijdrage. Maar, ik heb er een aantal opmerkingen over, omdat ik denk dat we elkaar niet helemaal goed begrijpen. Je verklaart aan de hand van de zwarte lijntjes, dat wanneer je van links (centrum blad) naar rechts (zijkant blad) gaat, die lijnen steeds verder uit elkaar komen te liggen. Dat komt, zo vermeld je, omdat aan de zijkant de welving het minst steil loopt. Tot zo ver helemaal mee eens. Bij je tweede plaatje zeg je: “Gaan we naar de zijkant niet verder omlaag maar juist omhoog dan blijven de lijnen zich toch naar buiten bewegen”, en vanaf dat punt begrijp ik het niet meer. Ik begrijp de hele zin niet.
Het is volgens mij ook niet het antwoord op de vraag waarom je een bepaalde isohypse niet van buiten naar binnen kunt (laten) verplaatsen en wèl van binnen naar buiten. Van wezenlijk belang is te beseffen dat de methode die ik hanteer en beschrijf, verschilt van die welke Otto Möckel beschrijft. Laatst genoemde begint met het opbrengen van de isohypsen , boort gaatjes met de juiste diepte op die plekken en steekt vervolgens het materiaal weg tot de gaatjes onzichtbaar zijn geworden. Zo kun je deze isohypsen ook niet verplaatsen en moeten ook niet worden verplaatst, dat is duidelijk.
Wat ik doe is een welving maken en wanneer ik vind dat die bijna goed is, zorg ik dat ik een indruk krijg van de symmetrie door isohypsen zichtbaar te maken. Op die manier ontstaan verbindingslijnen van de punten die allemaal een zelfde afstand tot het grondvlak hebben. Indien er dan asymmetrie aanwezig mocht zijn, is dat ook heel duidelijk te zien. Ik beschik helaas niet over die prachtige tekenapparatuur (software) zoals jij die hebt en heb me een poosje lopen bezig houden met hoe ik dat nu zou moeten duidelijk maken. Uiteindelijk heb ik wat gemaakt, waarvan ik hoop dat het duidelijk wordt. Er zijn twee mogelijkheden: de isohypse ligt òf te hoog (linker plaatje) òf te laag: rechter plaatje. Ik beweer nu dat een te hoge isohypse wèl naar omlaag te brengen is, maar een te lage niet omhoog. Even de tekeningen er bij halen:
Het linker plaatje laat een asymmetrie zien die gecorrigeerd kan worden, omdat bij wegnemen van materiaal de hoogte kleiner (= lager) wordt. Daarom zal de isohypse zich verplaatsen naar buiten. Wordt de correctie uitgevoerd tot zo ver als door de groene lijn wordt aangegeven, dan is er symmetrie verkregen. En in dit geval is dat uitstekend te doen.
Het rechter plaatje toont een asymmetrie, die niet te corrigeren valt. Rechts van de centrale stippellijn is de isohypse eigenlijk te ver van het centrum af, hij zou meer naar het centrum toe moeten om een mooie gelijkmatige en symmetrische lijn te vormen: de rode lijn. Daarmee wordt tevens een symmetrische welving verkregen! Maar dan moet er materiaal bij, om de isohypse naar een hoger gelegen niveau te brengen. Materiaal erbij is ondoenlijk, zodat hier de enige resterende correctie bestaat uit het verlagen van het grootste gedeelte van de isohypse, door hout weg te steken. Wanneer dat is gedaan kan weer een isohypse (of meerdere voor een verfijndere informatie) worden opgetekend en bekeken worden of de symmetrie is verkregen.
Nog even een correctie:
Remi, de laagjes van “Zoekplaatje No.2” (isohypsen) zijn niet 0.05 mm dik maar 0.5 mm.