Tja om even terug te komen op dit onderwerp. Het is volgens mij vrij aannemelijk en ook bekend onder experts de "The Messiah" een viool is gemaakt door Vuillaume. Zelfs dendro heeft dit aangetoont maar dendro heeft ook aangetoont dat het een Stradivarius was. Je kunt jezelf natuurlijk stellen, denk je echt dat Stradivarius een viool jarenlang onbespeeld in zijn atelier laat, deze na zijn dood wordt verkocht aan Tarisio (de handelaar niet het veilingshuis) deze hem met niet wilt verkopen aan Vuillaume en pas na zijn dood door Vuillaume wordt gekocht. Je kunt mij een hoop wijsmaken maar hier klopt niets van. En dendro zegt niets, mijn Hippolyte Silvestre viool (de broer van Pierre) het bovenblad is gemaakt van hout uit 1715 (laatste jaarring) dus toen Stradivarius nog leefde, dit terwijl de viool zelf uit 1867 is, er wordt nog toonhout gebruikt wat 152 jaar oud is! Als Silvestre dit hout kon bemachtigen dan kon Vuillaume dit helemaal.
De voller broers zijn inderdaad heel goed in hun werk als namakers. Maar ze hebben ook minder werk geleverd en ook violen met hun eigen naam, maar die worden als minder interessant geschouwd wegens duidelijke redenen...
Nog een voorbeeld: Samual Nemessanyi, deze Hongaarse maker is zo goed dat zijn violen voor Del Gesu's worden aangezien.
Iemand plaatste een bericht dat oude Italianse violen overgewaardeed worden, dit is absoluut NIET waar. Schilderen van oude meesters worden wel overtrokken, en dan vooral de schilderijen waarvan je denkt "wat is dit" en "dit kan mijn 5 jarige ook", impressionisme of expressionisme
Mensen die beweren dat oude Italiaanse meester overtrokken zijn moeten maar eens zelf op een echte goed instrument spelen en niet op hun "prachtige" Chinees.
In mijn eerste bericht over dit onderwerp heb ik getracht de betrekkelijkheid van opvattingen van sommige experts aan te geven. De hiervoor geciteerde bijdrage levert aan dat laatste, wellicht onbedoeld, weer een bijdrage.
De discussie over het vaderschap van ‘De Messias’ heeft langzamerhand een beetje een ‘broodje-aap karakter’ gekregen. Want was het nu Stradivarius of Vuillaume? Tot en met de echte experts van Hill aan toe in het begin van de vorige eeuw, was er geen twijfel over Stradivarius. Maar zo nu en dan ontwaakte er weer een expert die aan de hand van één of ander detail meende het vaderschap van de laatste te moeten betwisten. En dan werd die vermaledijde Vuillaume weer van stal gehaald. Tot overmaat van ramp werd ook nog de dendrochronologie ten tonele gevoerd. Met bijbehorende experts.
Laat ik vooropstellen geen kenner van oude violen te zijn. Of zelfs maar van nieuwe. Ik heb dan ook volstrekt geen mening over het vaderschap over deze viool. Maar wat mij treft, is de manier waarop het debat wordt gevoerd. Want daar is meer voor nodig dan het bijna letterlijk citeren uit een praatclub van ‘Maestronet’.
Na de dood van Stradivarius werd een aantal instrumenten aangetroffen. Het was dus niet zo dat de afnemers bij de huisdeur stonden te wachten tot Stradivarius weer een instrument had afgerond om het vervolgens uit zijn handen te rukken. Want ook de economie in die tijd kende de gebruikelijke dipjes. De viool werd vervolgens verkocht aan Cozio di Salabue en kwam nadien in handen van Tarisio. De instrumentenverzameling van Cozio di Salabue werd overigens onderhouden door Guadagnini . Hierbij viel ook 'De Messias' onder het mes en is de hals opnieuw geplaatst. Na de dood van Tarisio kwam de viool in het bezit van Vuillaume. Na zijn dood ging de viool over naar zijn erfgenamen en vervolgens naar een schoonzoon (de violist Alard). Na de dood van Alard werd de viool weer verkocht aan de firma Hill. Het is bekend dat Vuillaume de nodige kopieën van ‘De Messias’ heeft gemaakt. Maar dat houdt als zodanig niet in dat, gelet op de voorgeschiedenis van de viool, Vuillaume ook de bouwer is geweest.
En dan komt de dendrochronologie om de hoek kijken. Of beter Stewart Pollens, conservator van de instrumentencollectie van het Metropolitan Museum en Dr. Peter Klein van de universiteit van Hamburg. Pollens, een specialist op het gebied van precisie-fotografie, werd door het Ashmolean museum gevraagd 'De Messias' te fotograferen. Bij zijn inspectie van het instrument troffen hem bouwkundige details die bij hem twijfel deden ontstaan aan de echtheid van het instrument. Onder meer als gevolg van de vorm van de F-gaten en de krul. Maar ook de ‘leeftijd’ van het hout. Op dit punt won hij advies in bij de eerdergenoemde Dr. Klein. En die kwam,
op basis van de foto’s van Pollens en dus niet op basis van studie van het instrument zelf, tot de opvatting dat de boom waarvan het hout was gebruikt, werd omgehakt na de dood van Stradivarius.
Onnodig te zeggen dat de in 1998 gepubliceerde bevindingen van Pollens c.s. het nodige opzien baarden. Tegenstanders plaatsten echter twijfel bij het feit dat Klein zich baseerde op alleen foto’s. En Robert Bein, van Bein & Fuschi, memoreerde dat hij in zijn leven drie tot vierhonderd Stradivarius instrumenten heeft kunnen bestuderen, maar dat in het onderhavige geval hij geen twijfel koesterde aangaande de authenticiteit van de viool.
In 2004 werd een nieuw –dendro-archeologisch- onderzoeksrapport van Grissino-Mayera/Sheppard/Cleaveland aangaande in totaal zes strijkinstrumenten (waaronder ‘De Messias’) gepubliceerd in het ‘Journal of archeological science’, 31, 167 – 174. Het rapport is te vinden op Internet, maar ik ga er niet letterlijk uit citeren want ik stel geen prijs op contact met advocaten van Elsevier. Maar de belangrijkste conclusie met betrekking tot ‘De Messias’ in dit rapport luidt dat het hout van dit instrument moet worden gedateerd tussen 1577 en 1687, dus voor de datering 1716 op het label.
Al dan niet in verband met deze conclusie heeft Dr. Klein zijn eerdergenoemde datering ‘teruggetrokken’. Tot ongenoegen van Pollens.
Om het nog ondoorzichtiger te maken, verdient ook het onderzoek van Mondino en Avalle uit 2009 vermelding. Althans de conclusie, want die luidt dat de Messias-boom uiterlijk in 1844 is geveld. Dus nog op tijd voor Vuillaume. Maar over die conclusie is vervolgens de nodige collegiale hoon losgebarsten, want het betreft hier een puur statistisch onderzoek waaraan methodologisch kennelijk het nodige mankeert. Het leidde zelfs tot waarschuwingen tegen het gebruik van de gehanteerde ‘SynchroSearch’ software.
Ik wil niet beweren dat op basis van het voorgaande de conclusie moet zijn dat Stradivarius de maker van ‘de Messias’ is geweest. Maar is ook geen ruimte te veronderstellen dat het Vuillaume is geweest. Kortom, we weten het niet.
Van de opvatting dat oude Italiaanse violen niet overgewaardeerd zijn en schilderijen van oude meesters - al dan niet geschilderd door een vijfjarige- wel, neem ik maar kennis. Want ‘Die Gedanken sind frei’.
De laatste opvatting vraagt enige tegenspraak. Want niet iedere ‘oude Italiaan’ is als zodanig van topkwaliteit. Voorts worden anno nu bijzonder goede violen gebouwd. Ook door Chinese bouwers. En tenslotte is de aanschaf van zo’n ‘oude Italiaan’ ook weer niet voor iedereen weggelegd. En het begrip 'auto-suggestie' wil ook maar niet uit mijn gedachten.
Ronald